Pagina's

zondag 5 juli 2020

De loodgieters van Thionville


Na een beperkte nachtrust door de Chiro-kids (schreef de zelf 16-jarige auteur van dit dagverslag, n.v.d.r.) en een brombeer in de vorm van onze bloedeigen 81-jarige Pieter, vertrokken we met kleine oogjes op de camping. Het idyllische plekje viel net iets duurder uit dan onze Sint-Niklazenaar de avond voordien liet uitschijnen, maar naar Zwitserse normen – alvast een sneak peek richting de komende verslagen – viel het nog reuze mee. Het eerste slechte weer van de reis pakten we ook mee toen we langs de Wasserbilligse Schengenboot onze tocht aan de Moezel begonnen. Den Duits heeft ons toch nooit goed gedaan hè? Door het miezerweer, allemaal fietsvestje aan, dan maar op naar onze volgende stop van de dag: Wormeldange.

Langs kilometers wijnranken - het Moezelgebied is een wijnstreek, weet u wel - en een prachtig uitzicht bereikten we met onze laatste krachten Wormeldange, waar tot ons groot verdriet de plaatselijke shop reeds gesloten was. Sam spotte in de verte een Texaco, en werd achterna gesneld door Pieter, die met de helm in de hand even liet uitschijnen op de vuist te gaan met Sam. Was het assortiment aan vegetarische taboulé hen beiden dan zo waardevol? De anderen arriveerden gelukkig tijdig om deze 1 v 1 te voorkomen.

Maar goed, die Texaco dus. Die kon volgende dag gemakkelijk gesloten blijven door al onze donaties die we gedaan hebben om onze eetlust te stillen. Zelfs veelvraat Stan keek ervan op hoeveel wij allemaal naar binnen werkten. Frederik dacht slim te zijn en zijn windvestje uit te doen.

Op een volle maag werd verder gefietst richting Remich. Het wordt al geen nieuws meer, maar Pieter was weer bijna gestorven op de weg. Slachtoffer van wegpiraat Pieter was dit keer een BMW. Kort na Pieters zelfmoordpoging dacht Gert-Jan zijn gsm kwijt gespeeld te zijn in zijn eigen achterzak, dus was het stoppen geblazen aan een bankje. Op dat bankje had de plaatselijke zwerver zijn muts laten liggen, en Wannes dacht: “baat het niet, dan schaadt het niet” (vanwege de normale zwerverluizen en zeker in deze coronatijden, valt wel een kanttekening te plaatsen bij de interpretatie van het gebruikte spreekwoord, n.v.d.r.). Ideaal moment voor Frederik ook om zijn vestje toch weer aan te trekken.

Het heuvellandschap dat onze weg voor de voorbije dagen gekleurd had, begon stilaan te verdwijnen, en daarmee ook het slechte weer. In Schengen, zochten de youngsters lang naar een Vlaamse vlag terwijl ze in deze tevergeefse queeste op boegeroep getrakteerd werden van de linkse oude garde (uiteindelijk zwichtte de jeugd en werd een prachtige foto getrokken met onze Belgische driekleur, n.v.d.r.). Voor de foto had Frederik nog net tijd genoeg om zijn vestje uit te doen.


Langs het iets saaiere platte Moezellandschap zetten we door tot in Thionville, waar we dachten toch nog enige tekenen van leven te vinden. Ondertussen passeerden we nog de kerncentrale van Cattenom, waar Stan beweerde al eens gefietst te hebben. ‘Op die dinsdagmorgen in 2018 hebben wij deze weg gepakt toch?’. Was hij aan het ijlen door het gebrek aan eten, of heeft hij echt een mega-geheugen, aan u de keuze (ik zou toch op 1 gokken). 


Na nog een beetje Pieterkilometers erbij genomen te hebben op een sluizencomplex, reden we Thionville binnen. Niemand op de weg, ideaal voor Gert-Jan om zijn spork van de grond te rapen in het midden van wat ooit een druk kruispunt geweest zou moeten zijn. Na een toertje gereden te hebben in het stadscentrum (lees: een nieuwe Pieterkilometer), kwamen we een pizzeria tegen. Alle pleingangers zetten grote ogen op bij het zicht van ons gezelschap, maar waarschijnlijk toch vooral omdat Gertie op zijn éénwieler mee was. Helaas konden we nog niets bestellen in de pizzeria, dus vond Pieter - waarschijnlijk nog altijd aan het bekomen van zijn bijna-doodervaring - het nodig om te reserveren ‘pour être le premier ordre’. Een lekkere pizza, die zeker heeft gesmaakt, maar memorabel was voor ons allen toch de (nadien iets minder, n.v.d.r.) propere wc.

Op naar de camping dan maar zeker? Maar nee, eerst moest onze Pieter nog een beetje soon to be guano van zijn fietstas schrapen. Helemaal volgeladen met pizza kwamen we een beetje later toch aan op de camping, waar we tochtverhalen uitwisselden met een landgenoot die diezelfde dag in het blijkbaar maar 60 km verre Aarlen vertrokken was.

Klaar voor een douche denk je dan! Helaas vond Sam het nodig om de sleutel in de lavabo (zonder rooster weliswaar) te laten vallen. Na een korte deconstructie van de lavabo hadden we onze sleutel terug en konden we beginnen kaarten. Na een spelletje kingen legde Gert-Jan ons zijn Zeelse spel ‘sjoefen’ uit, iets waar we nog veel plezier aan zouden beleven. Het enige wat ons hierna nog restte, was genieten van een welverdiende nachtrust.

zaterdag 4 juli 2020

De ijskar van Rosport


De morgenstond heeft goud in de mond en met mijn zoetgevooisde brombeerstemmetje haalde ik mijn 5 reisgenoten gauw uit dromenland. Ik paaide hun ochtendhumeur met een ontbEItje, maar was alweer vergeten dat dit een aanslag vormt op mijn gamel. Noot aan mijn toekomstige fietsreiszelf: maak nooit meer eieren in je gamel en neem een metalen sponsje mee mocht je het eerste deel van dit advies dankzij je opkomende alzheimer opnieuw vergeten.


Enkele plotse windstoten wilden ons beroven van onze tenten, maar met de hulp van Keylan - een neefje van onze gastheer Marc - konden we ze tijdig opruimen. De wind bleef ons ook tijdens het fietsen geselen en toen we ook nog eens moesten klimmen, raakte onze jus snel op. Wannes barstte bijna in tranen uit, maar toen hij het thuisfront wilde bellen voor enige troost, ontdekte hij dat zijn gsm gesneuveld was. Een klein stukje dichterlijke vrijheid in voorgaande, maar we leerden wel bij dat smartphones net als slakken niet echt houden van een zoutbad.

Net toen we er bijna volledig doorzaten, daalde een engelachtig meisje neer uit de hemel. Verbouwereerd door haar schoonheid kwamen we in het office du Tourisme van Vianden niet verder dan wat Frans-Duitse stamelklanken, maar gelukkig beantwoordde zij onze hongerige smeekbeden in vloeiend Nederlands. Ze toonde ons waar de winkels waren en zo werd Vianden provianden. Leven van de liefde levert niet veel calorieën op, dus kochten we nadien zowat alle koffiekoeken bij de plaatselijke bakker. Onze twee jonkies trakteerden zichzelf op een eerste droge worst, en nee, lees dit het lieve meisje indachtig alstublieft niet dubbelzinnig.


Het pittoreske stadje werd verstoord door wat motorbendes, dus toen de bakker leeggekocht was en onze buikjes weer gevuld waren, wilden we richting Echternach vertrekken. Althans, dat was buiten Gert-Jan gerekend. Alsof hij met zijn eenwieler nog niet genoeg bewonderende blikken had geoogst, besloot hij ook de eerste lekke band van de reis te claimen. Sams pomp was gelukkig ook compatibel met het gekke Schrader-ventiel, en met wat extra lucht werd het probleem en dus ook onze eigen processie van Echternach voorlopig opgelost. De route verliep vanaf dan op een kleine misrijding na vooruit en bracht ons langs de rivier en een leuke bosweg in onze volgende tussenstop.




In Echternach was het tijd voor een eerste pintje. Sam probeerde de barman zowel in het Frans ("Une bière locale") als Engels ("A beer from here") te overtuigen hem een streekproduct te brengen, maar werd helaas enkel op een onbegrijpende blik getrakteerd.









De avondinkopen werden gedaan en langs de Sauer-rivier reden we verder naar de camping van Rosport. Ons gebrek aan navigatieskills Ons streven naar heroïek liet ons zelfs een waterloop doorwaden. 

Op de camping werden we ontvangen door een Sint-Niklazenaar die zich baas van de camping waande, maar eerlijk is eerlijk, we kregen wel echt een mooi plekje langs het water. We aten heerlijke minute rice van Uncle Ben's (product placement) en toen ik de ijskar hoorde, wilde ik er nog een lekker dessertje aan toevoegen. Het ijskarmuziekje bleek echter de intro van de serie Les Revenants op de Spotify van één van mijn reisgezellen, dus kreeg ik als toetje enkel hoongelach.


Nadien mijmerden we op ons privé-ponton over de fietsreis en bij uitbreiding het leven. Rust was ons helaas niet lang gegund, want enkele Vlaamse chiroleden besloten dat ons ponton de ideale plek was om een duikje te placeren in de rivier. Hun belofte om te skinnydippen werd niet ingelost, dus kropen we maar gewoon in onze tent.





vrijdag 3 juli 2020

Toch niet Schotland


Dit verslag had normaal over Schotland moeten gaan. Sinds maart was het Kanaal door de pandemie echter steeds dieper en wijder geworden, en begin juli waren de krijtrotsen van Dover voorgoed aan de einder verdwenen. Om toch onze jaarlijkse shot vrijheid te kunnen zetten, besloten we het dichter bij huis te zoeken. We zouden gemotoriseerd naar een uitstulping van België rijden, om van daaruit op eigen kracht zuidwaarts te trekken. Omdat je zo wel even bezig kan blijven voor er zich een natuurlijke versperring aandient (Pannier, Verlee & Wesemael, 2018), kozen we een eindhalte: Friedrichshafen aan het meer van Konstanz, Bodensee voor de vrienden.

Ons gezelschap bestond dit jaar uit elf wielen. Dat is een raar getal, hoor ik u denken, en dat is het ook: naast de normale fietsen van Frederik, Wannes, Pieter, Sam en Stan ging dit jaar immers ook eenwieler Gert-Jan mee, Europees kampioen slalom en tevens badmintonner, zo ontdekte Frederik na drie dagen. Samen met onze tenten, onze clown (Pieter) en onze beer (ik) leek onze stoet wel een reizend circusgezelschap. Nooit eerder, zo zou snel blijken, waren mensen zo blij om ons te zien voorbijrijden. 

In de vroege ochtend van vrijdag 3 juli verzamelde ons hele gezelschap zich op perron 10 van Gent Sint-Pieters. Heel ons gezelschap? Nee, Wannes had het bestaan zich te overslapen, hoewel hij tot enkele dagen eerder in de waan had verkeerd dat we al op donderdag zouden vertrekken. Gert-Jan was er eigenlijk ook niet, want die stapte pas op in Brussel (Zele etc.). En Frederik kwam met de wagen. We wilden gewoon heel graag dat zinnetje uit Asterix gebruiken, ok?

De treinrit naar Eupen gaf ons alvast de kans om Gert-Jan een eerste keer te vervelen met een kruisverhoor over zijn unidentified fietsing object. De trein van een uur later bevatte Wannes maar geen toestemming om verder te rijden dan Welkenraedt, waardoor onze youngster tien kilometer mocht opwarmen voor de eigenlijke tocht. Welke route door tijd en ruimte Frederik precies genomen had was niet duidelijk, maar feit was dat hij onderweg mensen had zien vechten in de middenberm. 


Na een paar kennismakingsspelletjes, een portie calorieën en het dumpen van overtollig gewicht in Frederiks koffer reden we Eupen uit. De stad bleek in een meteorietkrater te liggen en trakteerde ons meteen op krakende kettingen en piepende spieren. Op iets bedaarder terrein doorkruisten we onder veel bekijks de Hoge Venen. "Dat was een speciale, he?", fluisterde een mama samenzweerderig tegen haar dochter bij het passeren van Frederik. Grappig, want met een beetje zin voor humor zou je even goed kunnen denken dat ze het over eenwieler Gert-Jan had. 


In Waimes stapten we af voor een eerste terrasje. Wij namen allemaal een verfrissende cola, Wannes had meer zin in een reageerbuisje bier. Terwijl Pieter afrekende griste Gert-Jan enkele rotsblokken van de grond en verstopte die vingervlug in Pieters fietszakken. Pas laat die avond zouden ze er grommend weer uitgesmeten worden. Hilariteit, dat begrijpt u. Na Waimes doken we naar beneden Malmédy tegemoet, waar we onze maskers opdiepten voor een eerste supermarktbezoek.


Wie een meter lang 20 graden van zijn route afwijkt, moet een verwaarloosbare afstand overbruggen om terug op de juiste weg te zijn. Wie dat doet voor, laat ons zeggen, 10,8 kilometer, is een hele poos verder van huis. Enfin, dat was waar we zo'n kwartier na onze supermarkststop achterkwamen. Over het hoe en waarom van ons verkeerd rijden lopen de versies uiteen. Sommigen beweerden dat gids Pieter heel veel schuld had aan de omweg, terwijl anderen juist beweerden dat hij ontzettend veel schuld trof. Wat er ook van zij, we moesten terug, 10,8 kilometer om precies te zijn, over een baan die dit keer hardnekkig steeg in plaats van daalde. 

Zo gaat het goed, zo gaat het beter, alweer een Pieterkilometer. Met een marslied slaagden we erin de moed erin te houden en spoedig Waimes te bereiken. De tweesprong die ons in de luren had gelegd werd bedankt met een plaspauze, waarna we koers zetten richting Sankt Vith. De weg naar de stad was vlak en eindeloos, en leende zich uitstekend tot zowel racen als wanhopen. Sam koos voor het eerste en keek niet meer achterom. Frederiks benen gingen rond het dorpje Born voor optie twee en een bijhorende pauze - kwatongen zouden beweren een instorting. Met zijn geest was echter nog alles in orde: gauw kwam Frederik met het briljante plan, de voorbije twee edities indachtig, om voortaan de eerste dag van de fietsreis gewoon over te slaan. 

Nauwelijks waren we in Sankt Vith aan het aperitieven geslagen of we kregen bezoek van Ewout. De sympathieke Izegemenaar was in het kader van zijn Humans After Covid-project (https://nl.humansaftercovid.org/) bezig met elke stad van het land te bezoeken om in kaart te brengen hoe de gemiddelde Belg de pandemie beleefd had. Vijf uur in het zadel was genoeg geweest om ons als rafelige zwervers smeltende kaasblokjes en Pringles in gekke smaken te doen eten aan een rottend picknickbankje. Deze fietser speelde het echter voor elkaar om na 13 dagen reizen nog steeds over een Gillette Fusion-huid en een beige bermuda te beschikken waar in de faculteit Rechten om gevochten wordt. Geen idee wat, maar dat we iets verkeerd deden was wel duidelijk.

Terwijl in een aanpalend huis met veel schreeuwen en scherven een echtelijke ruzie was losgebarsten, verlieten we Sankt Vith voor onze laatste kilometers richting Bracht. Daar wachtte Marc die zijn tuin ter beschikking had gesteld voor kampeerders – intussen al heel lang – op ons. Na ei zo na weer verdwaald te zijn in deze stoffige uithoek van België reden we rond 22 uur eindelijk Marcs oprit op. Prompt kregen we een plekje toegewezen met sanitair, vers bronwater en een prachtig uitzicht op de tegenoverliggende heuvelrug en volle maan. 


Een combinatie van Frederiks onderhandelingsskills en Marcs gastvrijheid zorgde er ten slotte voor dat onze tortellini bereid werd op een echt gasvuur, en niet op onze pathetische waakvlammetjes. Onze kookpot bevatte zowel pesto, spinazie en kaas, maar het enige dat wij na 120 kilometer nog smaakten was lekker, lekker en lekker.

woensdag 10 juli 2019

De laatste loodjes

Daar waar we tijdens de reis minutieus al onze stopplaatsen bijhielden en leuke anekdotes oplijstten, moeten de lezers het dit laatste verslag doen met wat ik meer dan een maand na datum nog onthouden heb van onze laatste fietsdag.

Ik zou alzheimer kunnen inroepen en hier al eindigen met: Home sweet home, maar dat zou wel extreem beknopt zijn als verslag, dus hier gaan we:
Hoewel Kalmthout in vogelvlucht niet extreem ver verwijderd is van ons beginpunt in Moerbeke/Overslag, zorgde het gebrek aan noordelijke bruggen of tunnels over de Schelde ervoor dat we eerst een stukje inlands moesten richting Antwerpen. Via wat knooppunten en een fietsostrade ging dit voorspoedig en dankzij een vriendelijke dame, slaagden we er ook in "'t Stad" grotendeels te omzeilen via de parkings errond. De Sint-Annatunnel door waren we algauw op Linkeroever.

Ergens was het verleidelijk om hier gewoon de N70 af te rijden tot thuis, maar na meer dan 10 dagen de grens zo goed mogelijk proberen benaderen, zou de kap die we zo in ons landje gaven, net iets te extreem zijn. Na Zwijndrecht dan maar omhoog richting havenzone. In Kallo sloegen we proviand in, in de winkel/ontmoetingsplaats/postkantoor/broodjeszaak die de Carrefour Expres er bleek te zijn. Ofwel had het meisje aan de kassa een oogje op ons, ofwel was ze een jobstudente die nog moest wennen aan het tempo dat men van een kassierster verwacht. Bij gebrek aan verliefde blikken, denk ik het laatste, maar uiteindelijk konden we onze broodjes toch lekker opsmikkelen.

In de haven gingen we voor de sightseeing-tour, want bij het volgen van de fietspijltjes richting Doel passeerden we echt wel elk dok. Hoe vrachtwagens er verlost werden van en beladen werden met containers, was indrukwekkend om zien, maar omdat ons huisje riep, konden we hier niet te lang blijven stilstaan.

We zagen de koeltorens opdoemen aan de horizon en na een blitzbezoekje aan het spookdorp Doel, passeerden we ook de kerncentrale zelf. We barstten meer van het zelfvertrouwen, dan hun muren van het gebrek aan onderhoud, en onvervaard vlogen we door over de polderdijken.

We passeerden nog een paar keer een grenspaal, reden nog een keer of wat verkeerd, maar uiteindelijk kwamen we aan in Overslag. We poseerden er bij de grenspaal waar we vertrokken waren, of toch één die er heel goed op leek om nadien elk onze eigen weg te gaan. Na 11 dagen samen zijn, bijna 1500 km op de fiets, en weer wat onvergetelijke ervaringen rijker, reden we huiswaarts.


En zoals eerder al gezegd: Home sweet home.

dinsdag 9 juli 2019

(niet) te vroeg voor een trappist

Dat we onze tent geposteerd hadden in de buurt van de abdij van Achel, had als voornaamste doel de dag nadien alsnog een trappistje achterover te kunnen slaan. Toen we iets voor 10 het hernieuwde terras van de brasserie opdraaiden, bleken we alvast de eersten om een trappist te bestellen (raar). We maakten er kennis met een zeer vriendelijke medewerker, die zich naarmate ons gesprek vorderde meer en meer ontpopte tot CEO en werelds leider van deze voorts geestelijke omgeving. Sam kocht in het winkeltje nog een typisch Achels souvenir in de vorm van een Engelse en een Oostenrijkse trappist (voor in zijn verzameling).


Met een niet meer zo nuchtere maag, was het niet vanzelfsprekend het beginpunt van de dagetappe te vinden. Gelukkig konden we hiervoor rekenen op twee reisgezellen die in de vorm van de Dodendraadroute ook alvast een deeltje van de grens affietsen. Eens op de juiste weg, reden we van knooppunt naar knooppunt richting de abdij van Postel. Na Chimay, Orval en Achel, werd dit de vierde abdij van onze devote tocht.



In Postel konden we kiezen uit twee winkeltjes. Een echte abdijwinkel en een nog echtere abdijwinkel, of zo maakten ze althans promotie op hun gevel. In de volgens ons echtste abdijwinkel kochten we dit keer geen bier, maar wel vers abdijbrood met bijhorende kaas. In het winkeltje viel er ook doping te kopen in de vorm van allerlei plantenextracten en siroopjes, die zoals we van de verkoopster moesten geloven wonderbaarlijk tegen zowat alles schenen te werken. We waren nu echter al zo ver geraakt, dat we besloten om ook de laatste kilometers clean af te leggen (als we de trappisten even niet meetellen).

In Weelde stopten we voor een oneerlijk geprijsd ijsje (dat 2 aparte magnums duurder waren dan een doos van 6, leerden we pas aan de kassa van deze hebberige Okay), maar we lieten het al bij al maar een beetje aan ons gierige hart komen.

Op naar Baarle-Hertog, of was het Baarle-Nassau, of toch Baarle-Hertog. Feit is dat dit kluwen aan exclaves en enclaves nog een heel aantal grensoversteken op onze teller bijschreef. Terug in België passeerden we de vroegere landloperskolonie van Wortel. Gelukkig was deze niet meer in werking, want ongewassen en na de blijkbaar gouden ijsjes blut als we waren, hadden ze ons anders ongetwijfeld opgesloten.

Na eerder al het meest westelijke, zuidelijke en oostelijke dorp van België te doorkruisen, was het met Meerle nu tijd voor het meest noordelijke stipje. Hierna staken we door naar Zundert - waar heel toevallig een trappistenabdij is -, maar de weg hiernaartoe bleek bezaaid met zandstroken en navigatievergissingen. Tot overmaat van ramp bleek de abdij ook minder aanlokkelijk en vooral minder open dan haar Belgische zusters, dus trappistloos raceten we door naar Essen waar we ons avondeten wilden nuttigen.

Tripadvisor raadde ons net als in Bredene een supergoede pizzeria aan, maar net zoals in Bredene, bleken ze ook in Essen in verlof te zijn. Pittaverne (prachtige naam toch?) dan maar, waar we voor 21 euro elk een pizza en twee drankjes konden binnenspelen. De innerlijke mens gesterkt, gingen we op zoek naar een slaapplaats. We werden aangetrokken door een kampplaats vlakbij het prachtige college van Essen, waar we kennismaakten met Willy, de laatste broeder aldaar. 

De kampplaats bleek toe te behoren aan een zorgboerderij, maar helaas wilde deze geen zorg dragen voor ons. We voelden ons Jozef en Maria en reisden verder op zoek naar een mooie stal of toch tenminste een idyllisch grasveldje. De Kalmthoutse heide zag er uit als Chernobyl, dus ook daar gingen we voorbij. Met ca. 150 km op de dagteller, waren we stilaan aan het einde van ons Latijn tot voor ons op het pad een fietsende engel neerdaalde met de naam Jan.

Hij sprak ons aan en enkele minuten en een telefoontje later, bracht hij ons onder in de tuin van zijn ex-vrouw Lutgart/Lutgard/Lutgarde (sorry, juiste schrijfwijze vergeten). Deze gastvrije dame zorgde ervoor dat we de laatste kampeernacht legaal ingingen en we zonder zorgen konden uitrusten voor de laatste etappe.

maandag 8 juli 2019

Te laat voor een trappist

Bij het openen van de tent 's ochtends keek Sam recht in de ogen van een hond en zijn baasje. Bleek dat we de wekker niet hadden gehoord en ruim een uur langer hadden geslapen dan voorzien. 

Gelukkig was de man geen boswachter. We ruimden snel onze kampeerplaats op om naar centrum Vaals te fietsen. In de Aldi waren geen koffiekoeken te bespeuren, dus kochten we in het warenhuis eronder de laatste 6 croissants. Slecht idee, want ze smaakten alsof ze er al een week lagen. Dan maakte Pieter een serieuze beginnersfout door geld te steken in het automatisch slot van de toiletten van het warenhuis. Sam ontdekte echter bij zijn beurt dat de deur altijd geopend is. Beetje geldverspilling dus.

We kwamen best nog wat klimmetjes tegen tot in Voeren, maar daar aangekomen leek het bijna alsof we konden kijken tot aan de Belgische kustlijn. Pieter stuurde ons bijna de autosnelweg op, maar het was wel degelijk een legitieme route om op het jaagpad langs de Maas te geraken. We reden op de imposante sluis Klein Ternaaien en vervolgden de weg langs het Albertkanaal richting Lanaken. 




Ofwel stonken we ondertussen heel hard, ofwel bevestigden de inwoners van Limburg de vriendelijkste aller Belgen te zijn; we werden meermaals aangesproken aan de Delhaize. Heel getraind zagen we er blijkbaar niet uit, want Pieter werd bijna een fitnessabonnement aangesmeerd. 

In de supermarkt hing een most-wanted poster van een winkeldief. Wat deze echter niet zal gestolen hebben, was de nieuwe Cola Energy, aangezien de smaak daarvan toch echt wel te ver ligt van een 'Cola Classic'. We vervolgden onze tocht langs het water met een degelijk tempo tot in Maaseik, waar we een welverdiend ijs nuttigden en Sam ook de wc 'die is normaal enkel voor personeel' een bezoek bracht. 

Bij het inslaan van proviand stuitten we eindelijk nog eens op 'gratin dauphinois' - een fietsreisklassieker - en veggie nuggets. We besloten op zoek te gaan naar een eet- en slaapplaats in groen gebied en kookten in het Leenderbos. Het plan om de derde authentieke trapoistenbrouwerij aan te doen viel in duigen, want volgens Google Maps sloot de brasserie te Achel om 18u. Kamperen in het natuurdomein bleek moeilijker dan gedacht. De schuilhut die op de kaart aangegeven stond was het minst verscholen gebouw ooit, en wat later kwamen jongelui met hun quads elk levend wezen wegjagen. Uiteindelijk vonden we een verdoken plekje, weliswaar tussen de eikenprocessierupsen. Denkend aan kriebelige insecten en boze boswachters vielen we vermoeid toch snel in slaap.

Sam

zondag 7 juli 2019

Van drielandenpunt tot drielandenpunt

De tijdens onze reis zeldzame regen kwam in Ouren toch eens op bezoek. In onze tent raakte hij niet binnen, maar tijdens de ochtenduren omarmde hij ons lichtjes. Toch werd de spreekwoordelijke zonneschijn gauw letterlijk en voor we het wisten was het weer prachtig fietsen.

We volgden mooie fietsbordjes in het dal van de Our, die helaas niet de route bestreken die we wilden afleggen (aflevering 31 in ons navigatieblundersboek). Toen de nummerplaten en straatnamen er vrij Duits begonnen uit te zien, hadden we door dat we even onaangekondigd bij onze oosterburen waren binnengevallen en om een derde wereldoorlog te vermijden, keerden we gauw geruisloos terug.

Voor we het wisten, kwamen we aan in Manderfeld, het meest westelijke dorpje van België. Tot 1919 behoorde dit plekje toe aan de Duitsers, maar genereus als ze waren, gaven ze het ons toen cadeau in Versailles. Winkels waren er niet te bespeuren en het restaurant dat wel open was, wilde ons vergiftigen met vlees.

Met onze laatste vegetarische krachten gingen we op zoek naar de ons door Google Maps voorgespiegelde Delhaize die ook zondag de hele dag zou open zijn, en hoera, dit bleek te kloppen. De broodjeszaak ernaast bood veel te dure smosjes aan die niet meer waren dan een belegde pistolet, dus besloten we zelf aan het werk te gaan. Een koffie, brood en kaas, wat bananen, een yoghurtje en zowaar ook wat souvenirs later, vertrokken we terug uit deze meer dan welgekomen oase.

De volgende halte was Krinkelt, wat volgens onze reisgids het hoogste dorp van België is. Onze klimangst bleek niet terecht, want ten opzichte van de steile bospaadjes van de voorbije dagen viel deze klim heus wel mee. In Elsenborn leek het erop dat onze para's hun legerkamp omgevormd hadden tot een heus labyrint voor fietstoeristen, al is ook hier een foutje in ons oriëntatiegevoel niet uitgesloten.

Wonder boven wonder, kwamen we alsnog terecht op de Vennbahn, een prachtig aangelegde fietsroute die zich voor een deeltje kronkelt rond de Belgisch-Duitse grens. We maakten heel wat snelheid en maalden kilometers, maar werden toch voorbijgeracet door een elektrische plooifiets. Dit konden we niet zomaar laten gebeuren, dus zetten we de achtervolging in. Aan een volgens ons voor elektrische plooifietsen niet superlegaal tempo van 36 km/u bleven we toch een tiental kilometer in de man zijn wiel hangen. Eens Roetgen bereikt werd hij ons stilaan beu en met wat rare manoeuvres en vooral dankzij een toenemend dorstgevoel bij onszelf, slaagde hij erin ons af te schudden.

Het biertje dat we in Roetgen bestelden, was ongevraagd een halve liter, dus even ongevraagd namen we een half rolletje WC-papier mee voor mocht het onderweg eens nodig zijn. Na nog een stukje Vennbahn, besloot ik in een vlaag van nostalgie af te draaien naar Welckenraedt. Ook onze fietsreizen van 2013, 2014 en 2017 hadden deze oostkantonse metropool immers in het routeplan opgenomen. De frituren bleken even pittoresk gesloten als de vorige keren, maar gelukkig was er toch een fastfoodzaak die ons kon en wilde voeden. De grootste trekpleister was nog steeds het op de meest onmogelijke uren geopende ijssalon, maar wegens te veel andere bezoekers, lieten we dit pareltje dit keer links liggen.



Intussen was het na 8 uur en kregen we het geniale idee om de hoogste berg van Europees Nederland te gaan beklimmen. Voor u denkt dat we helemaal krankzinnig geworden waren, weet dat deze berg een heuvel is van 322,4 meter en dat hij bovendien knal op de grens ligt met België. Na een volgens mezelf stilaan laatste klim van de reis, bereikten we de top. We namen wat typische foto's en na wat rondrijden door de omliggende bossen, vonden we een prachtig plekje. Het feestgedruis in het naburige Vaals stoorde ons niet om bliksemsnel in slaap te vallen. Morgen vroeg opstaan om boswachters en anderen te ontwijken, was het plan...




Pieter