Pagina's

zondag 2 juli 2017

Chef van alles

En toen was het weer juli. Juli, een maand die sinds enkele jaren maar één ding wil zeggen: het is weer fietsreistijd. Twee weken van afwisselend afzien, genieten, vloeken en lachen op de fiets. Twee weken van aan niets anders denken dan rijden, eten, niet verdwalen en slapen. Twee weken leven van niets anders dan je kan meedragen op de fiets, om eens weer thuis hetzelfde te kunnen zeggen als Socrates, toen die vele eeuwen geleden op een Atheense agora volgestouwd met luxueuze goederen en specerijen rondstruinde: “Wat is er toch veel dat ik niet nodig heb”.

Bestemming dit jaar was Denemarken, het meest zuidelijke en minst stoere lid van Scandinavië. Het vroegere vikingland heeft zijn bijlen en zwaarden van weleer al lang ingeruild voor groene windenergie en perfect onderhouden gazonnen – pek, veren en Crocs is het deel van de Deen die het waagt zijn of haar tuin twee dagen ongemoeid en ongemaaid te laten. Het land fleurt sinds vele eeuwen de kaart van Europa op met plaatsnamen als Slettestrand, Aars en Sønderballe en telt een kleine zes miljoen inwoners, waarvan een tiende in de hoofdstad Kopenhagen woont. Een hoofdstad die overigens twee eilanden naar het oosten ligt en tegen Zweden aanschuurt, een beetje alsof België bestuurd zou worden vanuit Baarle-Hertog. Jutland, het Deense vasteland, doet wat Nederlands aan, maar met iets meer heuvels en met veel minder Nederlanders. Het is hier dat zich de zogenaamde Hærvejenroute bevindt, de heerwegroute, die de heenweg van onze reis zou vormen. Voor de terugweg zouden we Nationale Fietsroute 5, de oostkustroute, volgen, die mede wordt vormgegeven door enkele fjorden. Een light-versie van hun Noorse collega’s, maar zoals we snel aan den lijve zouden ondervinden bij wijlen verrassend pittig en steil.

Voor we de Hærvejen konden aanvangen dienden we natuurlijk eerst nog in de buurt van Denemarken te geraken, en aangezien onze fietsen nog steeds niet helemaal hersteld waren van hun Noors vliegtuigtrauma deden we dat nog altijd het liefst per trein. Die zondagochtend vertrokken Flor, Pieter, Sam en Stan – Frederik zou ons later vervoegen – vanuit Gent, voorzien van een lekkere zak zelfaangebakken croissants. Het station van Welkenraedt werd na een paar uur sporen bereikt, waarna we ons een treinrit uitspaarden door zelf de Duitse grens over te fietsen. Even verkeerden we in de waan dat de plaatselijke bevolking speciaal voor onze passage alle vlaggen en biertenten van zolder had gehaald, maar al gauw daagde het ons dat de mensen langs de weg zaten te wachten op échte coureurs: de Tour zou die dag namelijk langs dezelfde wegen passeren, en we hadden welgeteld nog een uur om ons uit de voeten te maken voor alles werd afgezet. Dat bleek net genoeg tijd om Aken te bereiken, en ruim op voorhand kwamen we aan bij het Hauptbahnhof aldaar. We verslonden onze lunchpakketten en gingen op zoek naar het juiste spoor terwijl Flor vergeefs zocht naar een niet-Duitstalig Tourboekje om zich onledig te houden tijdens de urenlange treinrit die we in het vooruitzicht hadden.

De eerste conducteur die ons trof doopte tickethouder Pieter meteen tot ‘chef van alles’. We stapten over in Keulen, waar de ruime fietswagon zich uitstekend leende tot een eerste vloerslaap, een zwerverniveau dat doorgaans pas verderop in de fietsreis gehaald wordt. Gedurende vier uur was alles peis en vree op de trein, al schoten de gepensioneerde collega-fietsers wel in een kramp bij elke halte; bijna was onze bagage al enkele honderden kilometers te vroeg uitgestapt. Er volgde nog een tweede overstap in Hamburg, waarna we Flensburg tegen de avond zonder veel problemen bereikten. Net voor het afstappen had Pieter nog een Duitse wielertoerist bevriend, die ons verzekerde dat hij het adres wist zijn dat we voor die nacht geboekt hadden. De goedbedoelende man dacht echter dat we in de jeugdherberg moesten zijn, niet in het hostel, een semantische verwarring die ons toch maar mooi een stukje Flensburg opleverde dat we anders nooit van ons leven zouden gezien hebben.

Eens het hostel bereikt dumpten we snel onze bagage in de kamer en repten we ons naar de dichtstbijzijnde kebabzaak. Het bestellen van onze größe pommes ging niet zonder slag of stoot, maar de maaltijd, eens hij er was, smaakte er des te beter door. We daalden met onze fietsen nog even af tot in het Flensburgse centrum, dat er echter, omdat het zondagavond was, volkomen verlaten bijlag. Aldus keerden we terug naar onze kamer en kropen onder de warme dons.

(sp)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten